Geschreven ca. 1900 door Eduard Jacobs (1886-1914), een belangrijke hekeldichter en befaamd om zijn scherpe maatschappijkritiek. Tijdens een tournee door Nederlands-Indië beschreef hij diverse missstanden die hij aantrof, waaronder het concubinaat. Maar in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten, tekende Jacobs de njai niet als de uitgestotene; de ‘minderwaardige’ inheemse. Jacobs was een van de weinigen die een positief beeld schetste van de concubine. Bij hem is zij de belangrijke, zelfstandige vrouw zonder wie de Europeaan in Indië eigenlijk niet leven kan.

In ’t moederland had hij ’t verbruid
En zijn familie, net en rijk
Negeerde hem… een kort besluit…
Hij teekende te Harderwijk.
Hij toog naar ’t verre Zonnenland
Streed voor de vaderlandsche vlag.
Elkeen vond hem een flinke vent,
Todat hij eindlijk Mina zag….

Zij was z’n engel in deze oorden
Zijn dierbaarste kleinood,
Zij slofte mede
Op al z’n schreden
En was tevreden!

Dacht hij aan ’t verre Moederland
Dan welde in z’n oog ’n traan,
Doch nimmer kwam ’t in z’n verstand
Weer naar Europa terug te gaan.
Na vijftien jaar nam hij pensioen.
Hij huurde ’n hutje voor hun twee,
Maar in die donkre kampong… toen
Gevoelde hij zijn levenswee….

Toen werd het tobben, hij werd krank,
En een verlamming wierp hem neer;
Geen dokter djawa *, spijs noch drank
Gaf hem de krachten van weleer.
Zijn spraak was weg, maar in zijn blik
Lag diepgevoelde dankbaarheid….
Zijn laatsten groet, zijn laatsten snik
Was nog aan Mina-lief gewijd….

De laatste tocht die hij toen deed
Ver van zijn huis en vaderland,
Was zonder langen rijtuigstoet,
Zonder een enkele bloedverwant.
“Zij” volgde in een dos-a-dos *
Naar ’t kerkhof van haar vriend en heer
En uit haar slendang strooide zij
Melatie * op zijn rustplaats neer….

Zij was z’n engel in deze oorden
Zijn dierbaarste kleinood,
Zij slofte mede
Met loome schreden….
Hij ruste in vrede!….

1

Deel