Geschreven door Willem Walraven (1887 – 1943). Voor zover bekend is dit het enige cabaretlied dat schrijver-journalist Walraven heeft geschreven. Een lied waarin in 25 regels een compleet drama wordt opgeroepen met een ongebruikelijk happy-end voor de njai.

Toen in den crisistijd hij plots’ling werd ontslagen,
Had hij zijn pondok * prachtig voor elkaar,
Want op haar naam had hij van zijn procenten
Nogal wat grond gekocht, waarop hij zijn tenten
Ging opslaan op dat erf als eigenaar.

Hij zei altijd: “Je prend mon bien òu je le trouve”
“Die meid” was goed en best, maar bleef toch maar “die meid”.
Hijzelf bleef onmiskenbaar een plebejer,
Hoe noemde zich natuurlijk ennesbejer,
Want voor de n.s.b. kwam straks een gouden tijd!….

Maar lang vóór tien Mei negentienhonderdveertig
Lag hij al eenzaam in zijn koele graf.
De Wees- en Boedelkamer maakte veel kapsones,
Maar toch was nu die meid een meid in bonis,
Want van de grond en het huis bleef ieder af.

Toen kreeg ze ’t eene huwelijksaanzoek na het andere,
De candidaten waren niet alleen Javaansch!
Maar zij sprak: “ ‘k Heb genoeg beleefd hier op mijn hoeve
Van dat zje prang mong bjeng oezjeltroeve,
Die levenstheorie is mij te Hitleriaansch”.|

Zij fleurde op, haar heupen werden breeder,
Sinds ’t leven haar een nieuwe jeugd hergaf.
Zij leeft royaal, verstandig, ingetogen,
En met een glimlach in de hoeken van haar oogen
Brengt z’elke maand wat bloemen naar zijn graf.

0

Deel