De tekst verscheen in 1930 als gedicht in het planterstijdschrift De Planter, dat verscheen in het toenmalige plantersparadijs Sumatra. Het is van de hand van ene ‘Ypsilon’, pseudoniem voor een onbekende dichter. ‘Deli-filmpje’ is letterlijk een ‘filmpje’ over het leven in Deli (Sumatra) en vetrelt het tragische lot van de njai, de inheemse concubine in Deli.

Hij ging, nog jong, naar Insulinde
en kreeg een baantje in den Oost.
En als hij soms naar huis verlangde,
dan zocht hij in een brief z’n troost.
Hij had een aantal goede vrienden,
die brachten hem een zwarte meid,
omdat je zonder zoo’n factotum *
in den beginne armoe lijdt.

Ze kookt z’n eten, wascht z’n baadjes *,
ze poetst z’n schoenen en z’n hoed,
ze stopt z’n sokken en naait z’n kleeren.
En wat ze deed, dat deed ze goed.

En toen hij ziek werd, was ze droevig
en neergeslagen als een hond.
Ze bracht hem drankjes en wat vruchten,
en al wat hij maar aardig vond.
Toen hij te zwak was om te werken,
de crisis had zoo lang geduurd,
toen werd hij op een keer ontslagen
en met z’n meid “in ’t bosch” gestuurd.

Toen bracht de meid hem naar de kampong,
omdat hij nog zoo zwakjes was,
verkocht haar goud en mooie baadjes
en ’t geld dat kwam hier goed van pas.

En als de avond was gevallen,
dan liep het zwartje op de baan.
Ze gapte geld voor haar en Toean
om niet van honger dood te gaan.

Toen hij dan eindelijk weer hersteld was
en spoedig weer een baantje kreeg,
toen dacht hij niet meer aan de kampong,
terwijl de meid maar liever zweeg.
Toen schreef hij brieven aan z’n meisje:
“Ik hou nog altijd slechts van jou,
wanneer het goed gaat, kom dan over,
m’n lieve Annie, word m’n vrouw!”

Toen was hij blijkbaar glad vergeten,
hoe of ze voor hem had gegapt.
En toen hij eindelijk kon gaan trouwen,
werd de meid eruit getrapt.

Mijnheer is nu een Hooge Oome,
en heeft een schitterend bestaan.
De meid crepeerde in de kampong,
maar ach daar denkt geen mensch meer aan.
Ach daar denkt geen mensch meer aan.

0

Deel