Gedicht van Louis Natare, in 1922 opgenomen in zijn Indische liederenbundel ‘Onder de Palmen’. Over deze persoon is verder niets bekend.

Een jaar of tien ben ik je njai gebleven
Ik gaf aan jou geheel mijn jonge leven
En nu ik oud ben stuur je mij zoo weg
Is dat niet wreed – ach, luister naar mij, zeg –
Als jonge vrouw heb jij mij meegenomen
Toen jij me ’s avonds bij je thuis liet komen
Toen heb je o zoo goed en lief gedaan
En zei dat ik nooit van je weg mocht gaan.

Ik heb geleerd, geheel voor jou te zorgen,
Ik dacht veel verder dan de dag van morgen,
Ik was heel zuinig met mijn blandjageld
En kookte juist, waar jij op was gesteld;
Ik wist je kleeren altijd heel te houden
Opdat ze nooit iets van je zeggen zouden
‘k was wel je njai, maar toch een goede vrouw
en hoopte zoo dat jij ’t ook merken zou.

Je had nog maar een heel klein tractementje
Toch spaarde ik daarvan dikwijls nog een centje;
Jij hebt er altijd keurig netjes op gestaan
En ik hand nooit een goede sarong aan.
En als je dronken was dan ging je vloeken
En liep je uren lang naar mij te zoeken,
Wou jij me met je groote handen slaan
En toch had ik je nimmer kwaad gedaan.

En toen ons kleine ventje werd geboren,
Heb jij me woedend met een vloek bezworen,
Dat jij niets weten wilde van het kind
Want dat er niets was wat jou aan me bindt;
En toen na negen, bange zware weken
Ons kindje eindelijk was bezweken,
Trok jij je van die treurigheid niets aan,
Ben jij niet eens naar ’t kerkhof toe gegaan.

‘k heb nooit geklaagd, dat zal je zelf wel weten,
al kreeg ik nooit iets van je dan mijn eten
maar dat je mij nu wegjaagt als een hond,
alsof ik al die jaren niet bestond.

Als jonge vrouw heb jij mij meegenomen
Toen jij me ’s avonds bij je thuis liet komen
Toen heb je o zoo goed en lief gedaan
En zei dat ik nooit van je weg mocht gaan.

0

Deel