Hij wordt ‘s morgens wakker.
Zij is dan al lang uit bed.
Hij maakt zich klaar,
komt naar beneden.
Zij heeft zijn koffie toebroek*
al klaargezet.
Als hij haar kust bij het ontbijt
en van de roti koekoes* smult,
heeft zij intussen met warm water
zijn botol tjebok* al gevuld.

Zij vormt de tropen in zijn leven.
Zij is de zon in zijn gemoed.
zij is de waringin* in zijn leven.
Zij is de sambal in zijn bloed.

Nonni, nonni besar………..

Hij zegt: Meis,
wat gaan we doen vandaag?
Zij zegt : Belanja* in de stad.
Hij zegt: Ajo, laten we dan gaan.
Zij zegt: Heb jij je obat* al gehad?
Hij brengt de kranten naar de goedang*
en zit een uur op de toilet.
Zij heeft ondertussen in de dapoer*
de daging smoor* al opgezet.

Zij vormt de tropen in zijn leven.
Zij is de zon in zijn gemoed.
zij is de waringin* in zijn leven.
Zij is de sambal in zijn bloed.

Nonni, nonni besar…………

Hij ligt in bed te woelen.
Zij vraagt wat er is.
Hij zegt: ik wil jou even voelen,
want jij maakt mij zo pedis*.
Zij neemt hem in haar schoot
en hij komt in haar tot rust
en fluistert, dat hij zo genoot
voor hij haar zachte lippen kust:

Jij bent de tropen in mijn leven.
Jij brengt de zon in mijn gemoed.
Jij bent de kretek* in mijn leven.
Jij bent de ketjap manis
in mijn bloed.

Nonni, nonni besar……..

1

Deel