Had de dichter die ik zag
jou ook gezien?
En je aarzelende lach,
die ik meende te zien?
En zei hij je zacht:
wacht maar op vrijdagnacht?

Was mijn glas op het terras
toen al misschien
gevuld met verlangen
om jou nog eens te zien?
Maar fluisterde je zacht:
wacht maar op vrijdagnacht?

Was het afscheid dat je nam alleen voor dat moment?
Of luisterde je toen al naar je eigen stem?
En naar het lied van verlangen
dat binnen in je zong?
Proefde ik dat toen al
van het puntje van je tong?

De schemer in je kamer,
de schaduwen op bed,
de figuren die we maakten,
de ongeremde pret,
alsof we dachten:
we wachten niet langer
op vrijdagnacht.

Vannacht blijf ik wakker.
Vannacht wil ik op reis
naar de tastbare schoonheid
van je lichtverteerbaar lijf.
Maak me stijf van verlangen
naar het hart van vrijdagnacht

Hou mij tot morgen wakker.
Ga met me mee op reis
naar de tastbare schoonheid
van ons lichtverteerbaar lijf.
Maak me stijf van verlangen
naar het hart van vrijdagnacht.
Vol van verlangen
naar het hart van vrijdagnacht
vol van verlangen
mm mm mm.

0

Deel